Over de WVOI

Collectieve Arbeidsovereenkomst

  • PARTIJEN, KARAKTER EN LOOPTIJD CAO-OI
  • PREAMBULE
  • HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN
  • HOOFDSTUK 2 – WERVING, SELECTIE EN DIENSTVERBAND
  • HOOFDSTUK 3 – SALARIS EN TOELAGEN
  • HOOFDSTUK 4 – ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN
  • HOOFDSTUK 5 - VAKANTIEVERLOF
  • HOOFDSTUK 6 - SCHOLING, INZETBAARHEID EN LOOPBAANV
  • HOOFDSTUK 7 - FUNCTIONERINGS- EN BEOORDELINGSGESPR
  • HOOFDSTUK 8 - SOCIALE ZEKERHEID
  • HOOFDSTUK 9 - ONTSLAG
  • HOOFDSTUK 10 - VERGOEDINGEN EN VOORZIENINGEN
  • HOOFDSTUK 11 - DISCIPLINAIRE MAATREGELEN, SCHORSIN
  • HOOFDSTUK 12 - BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR OIO´s
  • HOOFDSTUK 13 - STUDIES EN OVERIGE AFSPRAKEN TUSSEN PARTIJEN
  • HOOFDSTUK 14 - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
  • Bijlage 1 - Salaristabellen
  • Bijlage 2 - Seniorenregeling OI (SROI-2007)
  • Bijlage 3 - Toelichting en nadere uitwerking Vakantieverlof OI
  • Bijlage 4 - Overlegprotocol WVOI
  • Bijlage 5 - RWOO-bepalingen 2.2 tot en met 2.7, 15.2 en 15.3
  • Bijlage 6 - ArbeidsVoorwaarden Op Maat (AVOM)
  • Bijlage 7 - Regeling Telewerken
  • Bijlage 8 - Tenure Track

    HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN

    Artikel 1.1 Definitiebepalingen in de CAO-OI
    Artikel 1.2 Werkingssfeer CAO-OI
    Artikel 1.3 Aanvullende bepalingen met betrekking tot de reikwijdte van de CAO-OI
    Artikel 1.4 Verplichtingen van partijen
    Artikel 1.5 Verplichtingen werkgever en werknemer
    Artikel 1.6 Deeltijdwerk
    Artikel 1.7 Overlegprotocol
    Artikel 1.8 Arbeidsvoorwaarden op maat
    Artikel 1.9 Intellectuele eigendomsrechten
    Artikel 1.10 Klokkenluidersregeling
    Artikel 1.11 Kapstokbepaling t.b.v. bemanningsleden in dienst van het Kon. NIOZ
    Artikel 1.12 Kapstokbepaling Arbocatalogus
    Artikel 1.13 Hardheidsclausule

    Artikel 1.1 Definitiebepalingen in de CAO-OI


    1. Awb:  Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1992, 315).
    2. Bezoldiging:  De som van het salaris en de toelagen waarop de werknemer ingevolge artikel 3.8 tweede lid, de artikelen 3.9 tot en met 3.13 van deze CAO-OI aanspraak heeft.
    3. BWOI:  Bovenwettelijke Regeling Werkloosheid personeel Onderzoek Instellingen.
    4. CAO:  Collectieve Arbeidsovereenkomst.
    5. (C)OR:  (Centrale) Ondernemingsraad.
    6. Dienstverband:  Een aanstelling bij dan wel een arbeidsovereenkomst met een werkgever.
    7. FNM:  Functie Niveau Matrix.
    8. Functie:  Het samenstel van de door de werkgever aan de werknemer opgedragen werkzaamheden.
    9. Instelling:  Een van de leden van de Werkgeversvereniging Onderzoekinstellingen, zijnde CW, FOM, KB, NWO en Kon.NIOZ. 
    10. Lokaal overleg:  Het overleg met werknemersorganisaties, zoals geregeld in het Overlegprotocol WVOI-Centrales van Overheidspersoneel.
    11. Maximumsalaris:  Het hoogste bedrag van een salarisschaal.
    12. OIO:  Onderzoeker in opleiding: een werknemer die na een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen bij een universiteit dan wel afsluitend examen bij een instelling voor Hoger Beroepsonderwijs een dienstverband voor bepaalde tijd heeft teneinde zich door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek alsmede door het ontvangen van onderwijs verder te bekwamen tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper.
    13. Pleegkind:  Een kind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract ingevolge artikel 39 van de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 1989, 360).
    14. a. Echtgenoot.
      b. Geregistreerd partner.
      c. Partner met wie de niet-gehuwde werknemer samenwoont, blijkens de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie, en - met het oogmerk duurzaam samen te leven -een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de nabestaande relatiepartner. Tot gezinslid wordt in voorkomend geval mede gerekend de relatiepartner. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als relatiepartner worden aangemerkt. De werkgever kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin, is gesloten.
      `Relatiepartner´ wordt voor de toepassing van CAO-bepalingen gelijkgesteld met `echtgenoot´ en `geregistreerd partner´.
    15. RWOO:  Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs en Onderzoek.
    16. Salaris:  Het bedrag per maand dat met inachtneming van de bepalingen van deze CAO voor de werknemer is vastgesteld aan de hand van bijlage 1 van deze CAO.
    17. Salarisnummer:  Een aanduiding, bestaande uit een getal, die in een salarisschaal voor een salaris is vermeld.
    18. Salaris per uur:  1/165 deel van het salaris bij een volledige arbeidsduur.
    19. Salarisschaal:  Een als zodanig in bijlage 1 van deze CAO vermelde reeks van genummerde salarissen.
    20. Vakantieverlof:  De jaarlijkse verlofaanspraak bij een volledige werkweek, die bestaat uit de optelsom van vakantieverlof en ADV, zoals die gold op 31 december 2003.
    21. Vakantiewerker:  Diegene die tijdens zijn schoolvakanties, wegens vakantie van het eigen personeel, tijdelijk werkzaamheden verricht.
    22. Verzorger belast met de feitelijke verzorging van een kind:  De werknemer die blijkens de registratie in de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als het kind en die duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen.
    23. a. Volledige arbeidsduur:  Een arbeidsduur die gemiddeld 38 werkuren per week
         omvat.
      b. Volledige werkweek:  Een werkweek die 40 uur omvat.
      c. Feitelijke werkweek:  De door de individuele werknemer daadwerkelijk te werken uren per week.
    24. Werkgever:  Het orgaan dat c.q. de rechtspersoon die bevoegd is een dienstverband in de zin van deze CAO aan te gaan.[2]
    25. Werknemer:  Degene die door de werkgever als ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet (Stb. 1929, 530) is aangesteld, alsmede degene die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek in dienst van de werkgever arbeid verricht.
    26. Werknemersorganisaties:  ABVAKABO FNV, AC/FBZ, CMHF/VAWO en CNV Publieke Zaak.
    27. WHW:  Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk Onder¬zoek. (Stb. 1992, 593).
    28. WIA: Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen.
    29. WOR:  Wet op de ondernemingsraden (Stb. 1971, 54).
    30. ZAOI:  Regeling Ziekte en Arbeidsongeschiktheid personeel OnderzoekInstellingen.

    Artikel 1.2 Werkingssfeer CAO-OI


    1. Deze CAO is van toepassing op de werknemer als bedoeld in artikel 1.1 onder 25, met uitzondering van de vakantiewerker als bedoeld in artikel 1.1. onder 21.
    2. In afwijking van lid 1 kan de werkgever in bijzondere situaties met een buitenlandse onderzoeker een dienstverband voor bepaalde tijd aangaan dat niet onder de werking van de CAO-OI valt. Voorwaarde is dat de bezoldiging op jaarbasis vermeerderd met EJU en vakantietoeslag minimaal € 36.100,- per jaar bedraagt.
    3. De bepalingen van de CAO-OI zijn slechts van toepassing voor zover zij niet in strijd zijn met wettelijke regels dan wel algemeen verbindende bepalingen of daaruit voortvloeiende regelingen waarvan afwijking niet geoorloofd is.
    4. Bepalingen in een aanstellingsbesluit of arbeidsovereenkomst die in strijd zijn met deze CAO, zijn nietig.
    5. De nadere regels welke op grond van deze CAO door de instelling/werkgever worden vastgesteld, mogen geen bepalingen bevatten in strijd met deze CAO.
    6. De instelling waar werkgevers onder ressorteren kan de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels, na overeenstemming in het lokaal overleg, decentraliseren naar het niveau van de werkgever, mits deze de regels vaststelt in overeenstemming met de (C)OR.

    Artikel 1.3 Aanvullende bepalingen met betrekking tot de reikwijdte van de CAO-OI


    1. Er bestaan bij de leden van de WVOI geen voornemens om tijdens de looptijd van deze CAO rechtspersonen op te richten met het oogmerk hierin kernactiviteiten van de instellingen onder te brengen.
    2. Indien tijdens de looptijd van deze CAO door één van de leden van de WVOI desalniettemin een rechtspersoon wordt opgericht als bedoeld onder 1 dan is de CAO-OI van overeenkomstige toepassing tenzij één van de partijen aangeeft hierover overleg te willen voeren.
    3. Uitgangspunt voor dit overleg is dat voor werknemers die in dienst treden bij de op te richten rechtspersoon een aan de CAO-OI gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenpakket geldt, vergezeld van eventueel noodzakelijk overgangsrecht.
    4. Indien een rechtspersoon wordt opgericht met een andere doelstelling dan bedoeld onder lid 1 waarbij werknemers aansluitend aan hun dienstverband bij een van de WVOI-leden in dienst zullen treden bij de op te richten rechtspersoon, dan wordt dit gemeld aan de werknemersorganisaties, die vervolgens kunnen aangeven overleg te wensen over de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

    Artikel 1.4 Verplichtingen van partijen


    1. Partijen verplichten zich deze overeenkomst te goeder trouw naar letter en geest na te komen. Zij zullen geen actie, direct noch indirect, voeren of steunen, die tot doel heeft deze overeenkomst te wijzigen of te beëindigen op een andere wijze dan is overeengekomen.Partijen zullen met alle beschikbare middelen nakoming van deze overeenkomst door hun leden bevorderen.
    2. Partijen zullen met alle beschikbare middelen nakoming van deze overeenkomst door hun leden bevorderen.

    Artikel 1.5 Verplichtingen werkgever en werknemer

    Algemene verplichting
    1.1 De werkgever en de werknemer zijn verplicht zich als een goed werkgever en een
         goed werknemer te gedragen.
    1.2 Werknemers die wetenschappelijk onderzoek verrichten, dan wel daarbij betrokken zijn,
         hebben de verplichting ervoor zorg te dragen dat het onderzoek plaatsvindt volgens
         algemeen aanvaarde normen voor wetenschappelijk handelen.

    Verstrekking CAO-OI
    2.   Aan de werknemer wordt bij aanvang van het dienstverband bij het
         aanstellingsbesluit/de arbeidsovereenkomst, een exemplaar van de geldende CAO-OI
         verstrekt dan wel toegang geboden tot een digitale versie van de CAO-OI. De werknemer
         wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte gesteld van wijzigingen in de CAO-OI.
    3.   De werknemer zal zich houden aan alle voor hem geldende regelingen, voorschriften
         en aanwijzingen. Deze zullen schriftelijk worden bekendgemaakt.

    Geheimhouding
    4.   De werknemer is verplicht informatie vanuit zijn functie geheim te houden voor zover
         die verplichting uit de aard van de zaak volgt, of hem uitdrukkelijk is opgelegd.
    5.   Deze verplichting geldt ook na beëindiging van het dienstverband.
    6.   Deze verplichting bestaat niet tegenover hen, die delen in de verantwoordelijkheid voor
         een goede uitoefening van de functie door de werknemer, noch tegenover hen, wier
         medewerking bij die uitoefening noodzakelijk is te achten, indien en voor zover deze
         zelf tot geheimhouding verplicht zijn of zich daartoe verplichten. Het in de vorige zin
         bepaalde geldt met inachtneming van wettelijke bepalingen inzake het beroepsgeheim.
    7.   De verplichting tot geheimhouding mag niet in strijd zijn met de academische vrijheid
         genoemd in artikel 1.6 WHW.
    8.   Onverminderd wettelijke bepalingen die op de werkgever rusten, is de werkgever
         verplicht tegenover derden informatie over individuele werknemers geheim te houden,
         tenzij de individuele werknemer voor openbaarmaking schriftelijk toestemming heeft
         gegeven.


    Nevenwerkzaamheden
    9.   De werknemer wordt toestemming verleend voor het verrichten van nevenwerk-
         zaamheden, tenzij een goede functievervulling daardoor in redelijkheid niet is
         verzekerd of de belangen van de werkgever anderszins kunnen worden geschaad.
    10. De werkgever kan nadere regels stellen met betrekking tot onder meer de melding,
         registratie en beoordeling van nevenwerkzaamheden waardoor een goede
         functievervulling of het goede functioneren van de werknemer, voor zover deze in
         verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.


    Inzetbaarheid
    11. Zonder gevolgen voor de rechtspositie kunnen aan de werknemer tijdens een
         dienstverband voor bepaalde tijd structurele werkzaamheden worden opgedragen en
         tijdens een dienstverband voor onbepaalde tijd werkzaamheden van tijdelijke aard
         worden opgedragen.


    Wijziging van functie of van werkzaamheden
    12. De werknemer kan op zijn verzoek een andere functie worden opgedragen.
    13. Wanneer het belang van de werkgever dit vordert, is de werknemer verplicht, al dan
         niet in dezelfde organisatie-eenheid en al dan niet op dezelfde standplaats, een andere
         functie te aanvaarden, die hem, in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden
         en vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.
    14. De werknemer kan worden verplicht tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan
         de gewoonlijke, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden
         opgedragen. Hij kan echter niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten in de
         plaats van stakers.
    15. Bij de toepassing van het veertiende lid wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met
         de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.


    Reorganisatiecode
    16. Bij reorganisaties worden de reorganisatiecode en het Sociaal Beleidskader toegepast.
         De reorganisatiecode is een door de werkgever opgestelde code die van toepassing is
         bij organisatieveranderingen die rechtspositionele gevolgen kunnen hebben voor werk-
         nemers. Het Sociaal Beleidskader is een door de instelling vastgesteld kader dat van
         toepassing is indien een organisatieverandering rechtspositionele gevolgen heeft
         voor werknemers.


    Standplaats
    17. De werknemer kan worden verplicht te verhuizen naar of te blijven wonen in of nabij
         de gemeente die hem als standplaats is aangewezen of waartoe zijn standplaats
         behoort indien dit, naar het oordeel van de werkgever, gelet op de aard van de
         functie, noodzakelijk is voor de goede vervulling daarvan. De werknemer aan wie de
         verplichting tot verhuizen is opgelegd, is gehouden zo spoedig mogelijk te verhuizen,
         doch uiterlijk binnen 2 jaar nadat die verplichting is opgelegd.


    Telewerken
    18. De werknemer die op vrijwillige basis thuis wil telewerken kan daartoe bij de werk-
         gever een aanvraag indienen. De aanvraag kan worden toegewezen indien een
         goede functie-uitoefening bij telewerken is gebaat, het telewerken organisatorisch
         inpasbaar is en de werknemer thuis een geschikte werkruimte heeft. De werkgever
         kan aan de werknemer bepaalde voorzieningen verstrekken om het telewerken
         mogelijk te maken. Afspraken hierover worden schriftelijk vastgelegd. De telewerk-
         voorzieningen kunnen bestaan uit financiële vergoedingen voor of "verstrekkingen in
         natura", zoals de aanschaf van computerapparatuur, de inrichting van de werkruimte,
         de aanleg van een extra telefoonlijn, telefoon- en internetkosten en het gebruik van de
         eigen huisvesting voor het werk. De regeling telewerken is opgenomen als bijlage 7 bij
         deze CAO.


    Verhindering
    19. Indien de werknemer door ziekte of anderszins verhinderd is zijn functie te vervullen,
         is hij verplicht daarvan onder opgave van redenen zo tijdig mogelijk mededeling te
         doen aan de werkgever (conform de door de werkgever vastgestelde regels)
         teneinde vertraging of hinder in de uitvoering van de werkzaamheden zo veel mogelijk
         te voorkomen.


    Giften en dergelijke van derden
    20. Het is de werknemer in zijn functie verboden zonder toestemming van de werkgever
         vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vragen of aan te nemen.


    Gedragscode seksuele intimidatie, agressie en geweld
    21. Elke werkgever stelt een gedragscode vast ter voorkoming en bestrijding van seksuele
         intimidatie, agressie en geweld op de werkvloer. De gedragscode voorziet tevens in
         een klachtenregeling.


    Aansprakelijkheid en schadeloosstelling
    22. De werknemer die bij de uitoefening van zijn functie schade toebrengt aan de werk-
         gever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is
         gehouden, is daarvoor niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een
         gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
    23. Indien de werknemer bij de uitoefening van zijn functie schade ondervindt kan de
         werkgever betrokkene naar billijkheid schadeloosstellen, kosten vergoeden of
         overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.

    Artikel 1.6 Deeltijdwerk


    1. Verzoeken om deeltijdarbeid, ook in staf- en leidinggevende functies, zullen worden gehonoreerd, tenzij het bedrijfsbelang zich hiertegen verzet.
    2. Voor de werknemer met wie een dienstverband is aangegaan voor minder dan de volledige arbeidsduur gelden de aanspraken in de CAO-OI naar evenredigheid van de overeengekomen arbeidsduur, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.

    Artikel 1.7 Overlegprotocol


    1. Indien in deze CAO is bepaald dat de instelling/werkgever (nadere) regels stelt of kan stellen, geldt de verplichting tot overleg, zoals vastgelegd in het overlegprotocol (bijlage 4 bij deze CAO).
    2. Indien in deze CAO is bepaald dat de instelling regels stelt, of kan stellen, geschiedt dit in het lokaal overleg, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Met het lokaal overleg kan worden overeengekomen dat vaststelling van deze regels geschiedt in het overleg met de (C)OR.
    3. Indien in deze CAO is bepaald dat de werkgever regels stelt of kan stellen, geschiedt dat in overleg met de (C)OR, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
    4. Het bepaalde in de leden 2 en 3 geldt met inachtneming van hetgeen hierover is bepaald in het overlegprotocol.

    Artikel 1.8 Arbeidsvoorwaarden op maat


    Werknemers kunnen gebruikmaken van de regeling ArbeidsVoorwaarden Op Maat (AVOM). De regeling biedt werknemers de mogelijkheid om een aantal vakantieverlofuren en/of een deel van het brutosalaris te besteden aan in de regeling concreet omschreven doelen en aldus een eigen arbeidsvoorwaardenpakket samen te stellen. De hierbij geldende voorwaarden, rechten en plichten zijn vervat in een regeling, waarvan de tekst integraal als bijlage 6 bij deze CAO is gevoegd.

    Artikel 1.9 Intellectuele eigendomsrechten

    1.9.1 Algemeen


    1. De werknemer is verplicht zich te houden aan hetgeen door de werkgever, met inachtneming van de wettelijke bepalingen en de CAO-OI, in redelijkheid wordt bepaald ten aanzien van intellectuele eigendomsrechten[3].
    2. Bij de werkgever berusten, overeenkomstig de wettelijke bepalingen, alle intellectuele eigendomsrechten op een door de werknemer:
      - gedane uitvinding die mogelijk vatbaar is voor octrooi;
      - geproduceerde databank;
      - gekweekt ras;
      - vervaardigde tekening, model of werk;
      - halfgeleiderproduct of topografie;
      - andere gecreëerde zaak.
    3. De werkgever kan als rechthebbende de intellectuele eigendomsrechten overdragen aan derden en/of de werknemer.
    4. De werknemer is verplicht op verzoek van de werkgever alle medewerking te verlenen aan het vestigen of verdedigen van de intellectuele eigendomsrechten in Nederland en daarbuiten. De medewerking kan onder andere bestaan uit het afleggen en ondertekenen van verklaringen en het uitstellen van publicaties voor een termijn die nodig is om het recht te vestigen.

    1.9.2 Octrooi en Kwekersrecht

    1. De werknemer die tijdens of anderszins in samenhang met de uitoefening van zijn functie een voor octrooi vatbare uitvinding doet dan wel door kweekarbeid een ras wint waarop mogelijk kwekersrecht kan worden verkregen, is verplicht daarvan voorafgaand aan de openbaarmaking schriftelijk mededeling te doen aan de werkgever onder overlegging van zodanige gegevens dat de werkgever zich een oordeel kan vormen over de aard van de uitvinding respectievelijk het ras.
    2. De verplichting in het eerste lid ontstaat op het moment dat de werknemer redelijkerwijze tot het oordeel heeft kunnen komen, dat er van een zodanige uitvinding of van een zodanig ras sprake kan zijn. De werknemer wordt in ieder geval geacht tot een dergelijk oordeel te kunnen komen op het moment dat de uitvinding is voltooid respectievelijk het ras is gewonnen.
    3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de andere intellectuele eigendomsrechten als bedoeld in artikel 1.9.1 lid 2, voor zover de werkgever niet anders heeft bepaald.

    1.9.3 Auteursrechten

    1. De werknemer kan met inachtneming van het bepaalde in dit artikel aanspraak maken op de auteursrechten op bepaalde categorieën werken.
    2. De bepaalde categorieën als bedoeld in het eerste lid zijn de werken als bedoeld in artikel 10 lid 1 sub 1 tot en met 9 van de Auteurswet 1912, te weten:
      1. boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften en alle andere geschriften;
      2. toneelwerken en dramatisch-muzikale werken;
      3. mondelinge voordrachten;
      4. choreografische werken en pantomimes;
      5. muziekwerken met of zonder woorden;
      6. teken-, schilder-, bouw- en beeldhouwwerken, lithografieën, graveer- en andere
         plaatwerken;
      7. aardrijkskundige kaarten;
      8. ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot de bouwkunde, de
         aardrijkskunde, de plaatsbeschrijving of andere wetenschappen, en/of
      9. fotografische werken.
    3. De werknemer is verplicht een door hem vervaardigd werk schriftelijk bij de werkgever te melden overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.9.2. Een jaar na ontvangst van de melding draagt de werkgever van rechtswege de auteursrechten op een werk, vallend onder een categorie als bedoeld in het tweede lid, over aan de werknemer die het werk feitelijk heeft vervaardigd, tenzij de werkgever zich de rechten gemotiveerd voorbehoudt of een andere redelijke termijn voor de overgang van rechten stelt.
    4. De werkgever zal zich uitsluitend de auteursrechten op een bepaald werk voorbehouden indien verwacht wordt dat het werk in grote aantallen verveelvoudigd zal gaan worden, het onderdeel uitmaakt van een serie of anderszins van bijzonder belang is voor de werkgever.
    5. De werkgever oefent zijn persoonlijkheidsrechten uit in het belang van de werknemer. Onder "persoonlijkheidsrechten" worden verstaan persoonlijkheidsrechten in de zin van artikel 25 van de Auteurswet 1912, die de maker de mogelijkheid geven zich te verzetten tegen openbaarmaking van zijn werk zonder zijn naam of onder een andere naam dan de zijne, tegen wijzigingen in het werk en tegen misvorming, verminking of aantasting.

    1.9.4 Vergoeding

    1. Het door de werkgever betaalde loon wordt geacht tevens een vergoeding in te houden voor gemis aan octrooi of kwekersrecht.
    2. De werkgever kan in zeer bijzondere gevallen een bijkomende billijke vergoeding toekennen in geval van gebleken substantieel economisch gewin.
    3. In bijzondere gevallen kan de werkgever een regeling treffen die het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan ten gunste van de werknemer afwijkt.

    Artikel 1.10 Klokkenluidersregeling


    Elke werkgever treedt met de (centrale) ondernemingsraad in overleg om een, op de organisatie toegesneden, voorziening te treffen inzake klokkenluiders. Uitgangspunt voor deze lokale regeling is dat een werknemer, indien hij in de organisatie waarin hij werkzaam is een misstand vermoedt, dit op een voor hem veilige en adequate wijze moet kunnen melden.

    Artikel 1.11 Kapstokbepaling t.b.v. bemanningsleden in dienst van het Kon. NIOZ


    1. Het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek (hierna te noemen: Koninklijk NIOZ) verricht met onder meer een tweetal onderzoekschepen zeeonderzoek. Deze onderzoekschepen, die eigendom zijn van voornoemd instituut, hebben een vaste bemanning (kapitein, stuurman, werktuigkundige, matrozen e.d.). Daarnaast varen er op de onderzoekschepen zogeheten "opstappers" mee. Het gaat bij deze categorie om onderzoekers en onderzoekondersteunend personeel met een niet scheepsgebonden functie die eenmalig of incidenteel met meerdaagse expedities op de onderzoekschepen meevaren. Laatstgenoemde categorie monstert ook aan op onderzoekschepen in eigendom van andere (inter)nationale onderzoekinstituten en instellingen.
    2. Vanwege de aard van het werken op de onderzoekschepen zijn de reguliere CAO-regelingen met betrekking tot arbeidsduur, werktijden, vakantieverlof en toelages voor onregelmatige diensten en overwerk minder passend voor werknemers aan boord van deze schepen.  De artikelen 3.10, 3.11, 3.18, art. 4.1, lid 1 t/m lid 7 (met uitzondering van de feestdagen als genoemd in lid 3), art. 5.1 t/m art. 5.6 (met uitzondering van art. 5.1.2) zijn daarom niet van toepassing op bemanningsleden in dienst van het Koninklijk NIOZ. In plaats daarvan geldt de Vaarregeling bemanningsleden Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek, die is overeengekomen tussen Koninklijk NIOZ en de werknemersorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het Lokaal Overleg NWO-FOM-CWI-NIOZ.
    3. Voor de categorie opstappers, in dienst van het Koninklijk NIOZ, zijn, uitsluitend tijdens meerdaagse expedities, de artikelen 3.10, 3.11, 3.18, art. 4.1, lid 1 t/m lid 7 (met uitzondering van de feestdagen als genoemd in lid 3) niet van toepassing. Voor deze categorie geldt tijdens expedities de Regeling zeegaande expedities welke is overeengekomen tussen Koninklijk NIOZ en de werknemersorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het Lokaal Overleg NWO-FOM-CWI-NIOZ.
    4. Wijzigingen in de Vaarregeling bemanningsleden Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek en in de Regeling zeegaande expedities behoeven instemming van betrokken partijen.

    Artikel 1.12 Kapstokbepaling Arbocatalogus


    1. Werknemersorganisaties en WVOI-werkgevers zijn overeengekomen binnen drie jaar invulling te geven aan een arbocatalogus.
    2. Partijen hebben op landelijk niveau de bevoegdheid naar de lokale tafels gedelegeerd. Daar wordt afgestemd wat per werkgever geregeld kan worden en is het instemmingsrecht aan de Centrale Ondernemingsraad.
    3. De arbocatalogus bevat in ieder geval de volgende aandachtgebieden:
      beeldschermwerk, klimaat, nieuw- en verbouwingsprocessen

    Artikel 1.13 Hardheidsclausule

    Van het bepaalde in deze CAO en op grond van de CAO-OI op instellings- of werk­geversniveau vastgestelde regelingen, kan in bijzondere gevallen ten gunste van de werknemer worden afgeweken, in het geval dat naar het oordeel van de werkgever de CAO-OI of betreffende regeling niet voorziet in de bijzondere omstandigheden van het individuele geval.

    naar boven

  • WVOI
    Postbus 93138
    2509 AC Den Haag
    070 - 3440876