Over de WVOI

Collectieve Arbeidsovereenkomst

  • PARTIJEN, KARAKTER EN LOOPTIJD CAO-OI
  • PREAMBULE
  • HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN
  • HOOFDSTUK 2 – WERVING, SELECTIE EN DIENSTVERBAND
  • HOOFDSTUK 3 – SALARIS EN TOELAGEN
  • HOOFDSTUK 4 – ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN
  • HOOFDSTUK 5 - VAKANTIEVERLOF
  • HOOFDSTUK 6 - SCHOLING, INZETBAARHEID EN LOOPBAANV
  • HOOFDSTUK 7 - FUNCTIONERINGS- EN BEOORDELINGSGESPR
  • HOOFDSTUK 8 - SOCIALE ZEKERHEID
  • HOOFDSTUK 9 - ONTSLAG
  • HOOFDSTUK 10 - VERGOEDINGEN EN VOORZIENINGEN
  • HOOFDSTUK 11 - DISCIPLINAIRE MAATREGELEN, SCHORSIN
  • HOOFDSTUK 12 - BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR OIO´s
  • HOOFDSTUK 13 - STUDIES EN OVERIGE AFSPRAKEN TUSSEN PARTIJEN
  • HOOFDSTUK 14 - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
  • Bijlage 1 - Salaristabellen
  • Bijlage 2 - Seniorenregeling OI (SROI-2007)
  • Bijlage 3 - Toelichting en nadere uitwerking Vakantieverlof OI
  • Bijlage 4 - Overlegprotocol WVOI
  • Bijlage 5 - RWOO-bepalingen 2.2 tot en met 2.7, 15.2 en 15.3
  • Bijlage 6 - ArbeidsVoorwaarden Op Maat (AVOM)
  • Bijlage 7 - Regeling Telewerken
  • Bijlage 8 - Tenure Track

    HOOFDSTUK 5 - VAKANTIEVERLOF

    Artikel 5.1 Omvang vakantieverlofaanspraak
    Artikel 5.2 Opname vakantieverlof
    Artikel 5.3 Overige bepalingen inzake opname vakantieverlof
    Artikel 5.4 Verjaring vakantie-uren
    Artikel 5.5. Vakantieverlof en einde dienstverband
    Artikel 5.6 Vakantieverlof bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
    Artikel 5.7 Sluiting op andere feestdagen dan genoemd in artikel 4.1 lid 3
    Artikel 5.8 Buitengewoon verlof algemeen
    Artikel 5.9 Buitengewoon verlof in verband met bijzondere gebeurtenissen
    Artikel 5.10 Calamiteitenverlof
    Artikel 5.11 Verlof ten behoeve van activiteiten van werknemersorganisaties
    Artikel 5.12 Overig buitengewoon verlof van korte duur
    Artikel 5.13 Zorgverlof en palliatief zorgverlof
    Artikel 5.14 Overig buitengewoon verlof van lange duur
    OUDERSCHAPSVERLOF
    Artikel 5.15 Ouderschapsverlof algemeen
    Artikel 5.16 Duur en vormen van ouderschapsverlof
    Artikel 5.17 Rechten tijdens ouderschapsverlof
    Artikel 5.18 Aanvraag ouderschapsverlof
    Artikel 5.19 Bezoldiging tijdens ouderschapsverlof
    Artikel 5.20 Terugbetalingsverplichting
    OVERIG VERLOF
    Artikel 5.21 Zwangerschaps- en bevallingsverlof algemeen
    Artikel 5.22 Seniorenverlof
    Artikel 5.23 Levensloopverlof

    Artikel 5.1 Omvang vakantieverlofaanspraak


    1. Aan de werknemer met een volledige arbeidsduur en een volledige werkweek wordt ieder kalenderjaar 338 uur[7] vakantieverlof[6] met behoud van bezoldiging verleend. Voor werknemers met een deeltijd-dienstverband geldt de vakantieverlofaanspraak naar rato, naar boven afgerond op hele uren.
    2. De vakantieverlofaanspraak als bedoeld in lid 1 wordt, afhankelijk van de leeftijd die de desbetreffende werknemer in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd [8] overeenkomstig de hierna volgende tabel:
    3. Vanaf 1 januari 2009 worden de leeftijdsuren bevroren (op het niveau van 31 december 2008). Bij wijze van overgangsmaatregel[9] ontvangen werknemers die tussen 1 januari 2008 en 1 juli 2010 45 jaar worden, nog wel 24 leeftijdsuren op jaarbasis. Werknemers van 45 jaar en ouder die vanaf 1 januari 2009 in dienst komen, krijgen leeftijdsuren op basis van hun leeftijd op peildatum 31 december 2008.
    4. De werknemer die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar in dienst is, heeft aanspraak op vakantieverlof in verhouding tot dat gedeelte van het jaar. Het aldus berekende vakantieverlof wordt voor de werknemer naar boven afgerond op hele uren.
    5. De opbouw van de vakantieverlofaanspraak geschiedt per maand en bedraagt 1/12 deel van de per jaar geldende vakantie.
    6. De werkgever kan ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 5.1 t/m 5.7 nadere regels stellen.

    Artikel 5.2 Opname vakantieverlof


    1. Van de vakantieverlofaanspraak wordt door een werknemer met een volledige arbeids­duur en volledige werkweek, in de regel ten minste 130 uur per kalenderjaar opgenomen in de vorm van vakantie, inclusief de op grond van artikel 4.1 sub 8 vastgestelde collectieve bedrijfs­sluitingsdagen.
    2. Zoveel mogelijk rekening houdend met de wensen van de werknemer, stelt de werk­gever de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vast, met dien verstande dat per jaar ten minste 2 weken aaneengesloten geen arbeid wordt verricht, dan wel indien de werknemer dit wenst, gedurende tweemaal een week geen arbeid wordt verricht.
    3. Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken kan de werk­gever de aan de werknemer verleende toestemming vakantie op te nemen intrekken, zowel voor als tijdens de vakantie. Indien de werknemer tengevolge van het intrekken van de toestemming vakantie op te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.

    Artikel 5.3 Overige bepalingen inzake opname vakantieverlof


    1. Het vakantieverlof dient in principe te worden opgenomen in het kalenderjaar waarin het wordt toegekend.
    2. Het saldo vakantieverlof bedraagt bij een volledig dienstverband aan het eind van enig kalenderjaar in de regel nooit meer dan 80 uur, te vermeerderen met het vakantieverlof waaraan op basis van AVOM (bijlage 6) een toekomstige bestemming is gegeven.
    3. Indien het saldo vakantieverlof het in lid 2 genoemde maximum toch overschrijdt, stelt de werkgever na overleg met de werknemer, ten behoeve van het daaropvolgende kalenderjaar de dagen vast, waarop deze uren worden opgenomen.
    4. Met de werknemer die op 31 december 2003 bij een WVOI-werkgever in dienst was en op die datum een tegoed aan vakantieverlofuren had van meer dan 80 uur, worden individueel afspraken gemaakt om het saldo vakantieverlofuren in te zetten zodat er op uiterlijk 31 december 2008 een saldo resteert van 80 uur.

    Artikel 5.4 Verjaring vakantie-uren


    1. Vakantieverlofaanspraken voor zover opgebouwd vanaf 1 januari 2004 verjaren 5 jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin het recht is ontstaan
    2. Vakantieverlofuren[10] voor zover opgebouwd na 1 februari 2001 en voor 1 januari 2004 verjaren 5 jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin het recht is ontstaan.

    Artikel 5.5. Vakantieverlof en einde dienstverband


    1. Bij beëindiging van het dienstverband dient het vakantieverlof waarop nog aanspraak kan worden gemaakt, te zijn opgenomen. In een vroegtijdig stadium zullen hierover tussen werkgever en werknemer afspraken worden gemaakt.
    2. Indien het vanwege bedrijfsorganisatorische redenen niet mogelijk is om het resteren­de vakantieverlof voorafgaand aan het ontslag op te nemen heeft een werknemer voor ieder resterend uur vakantieverlof recht op een vergoeding ten bedrage van zijn salaris per uur.
    3. Indien de werknemer op de dag van zijn ontslag te veel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur te veel genoten vakantieverlof een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.

    Artikel 5.6 Vakantieverlof bij ziekte en arbeidsongeschiktheid


    1. De opbouw van vakantieverlof bij ziekte en arbeidsongeschiktheid gaat gedurende een tijdvak van 6 maanden door, met dien verstande dat tijdvakken samengeteld worden als zij elkaar met onderbreking van minder dan een maand opvolgen. Indien de ziekte en arbeidsongeschiktheid langer dan 6 maanden heeft voortgeduurd wordt voor het tijdvak van de opbouw van vakantieaanspraken, in verband met de ver­jaringstermijn ex artikel 5.4 het laatste half jaar van de ziekte/arbeidsongeschiktheid gehanteerd
    2. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt na 6 maanden opbouw én opname van vakantieverlof plaats naar rato van het percentage waarvoor de werknemer arbeidsgeschikt is, dan wel op arbeidstherapeutische basis werkzaam is.

    Artikel 5.7 Sluiting op andere feestdagen dan genoemd in artikel 4.1 lid 3


    1. Indien de bedrijfsvestiging op een daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijke, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de desbetreffende werknemer verlof voor zover het belang van de werkgever niet anders vereist.
    2. Indien de werknemer op een dag als bedoeld in het eerste lid, een aantal uren dienst moet verrichten binnen de vastgestelde werktijden, dan wel in geheel of gedeeltelijk in afwisselende dienst werkzaam zijnde, op die dag  volgens rooster vrij van dienst is of uit hoofde van ziekte of vakantie niet tot verrichting van dienst is gehouden, geniet hij bedoeld aantal uren als verlof op een andere dag.
    3. Het eerste en het tweede lid vinden geen toepassing indien de sluiting van de bedrijfsvestiging regionaal of plaatselijk plaatsvindt en de werknemer elders werkzaam is, alsmede indien het betreft feestdagen, genoemd in artikel 4.1 lid 3.

    Artikel 5.8 Buitengewoon verlof algemeen


    1. Aan de werknemer wordt buitengewoon verlof verleend indien zich bepaalde omstandigheden of gebeurtenissen voordoen op (een) dag(en) waarop hij anders (als de bedoelde omstandigheden of gebeurtenissen zich niet zouden hebben voorgedaan) arbeid zou hebben verricht.
    2. Afhankelijk van aard en/of ernst van de in het vorig lid bedoelde omstandigheden of gebeurtenissen heeft de werknemer tijdens het buitengewoon verlof recht op (gedeeltelijk) behoud van bezoldiging.
    3. Onderscheiden worden:
      Buitengewoon verlof van korte duur:
      a. in verband met bijzondere gebeurtenissen (art. 5.9);
      b. calamiteitenverlof (art. 5.10);
      c. ten behoeve van activiteiten van werknemersorganisaties (art. 5.11);
      d. overig buitengewoon verlof van korte duur (art. 5.12).
      Buitengewoon verlof van lange duur:
      a. zorgverlof en palliatief zorgverlof (art. 5.13);
      b. ouderschapsverlof (art. 5.15);
      c. zwangerschaps- en bevallingsverlof (art. 5.21);
      d. seniorenverlof (art. 5.22);
      e. levensloopverlof (art. 5.23);
      f. overig buitengewoon verlof van lange duur (art. 5.14).
    4. Buitengewoon verlof wordt verleend op basis van een gemotiveerd en zo tijdig mogelijk schriftelijk verzoek van de werknemer.
    5. Buitengewoon verlof van lange duur gaat in na aanvaarding door de werknemer van dat verlof met de eventueel daaraan verbonden voorwaarden. 
    6. Voorwaarden met betrekking tot de omvang van het buitengewoon verlof van lange duur, de wijze van bezoldiging inclusief de financiering van het werkgevers- en werknemersdeel van de pensioenpremie en overige afspraken, worden schriftelijk vastgelegd.

    Artikel 5.9 Buitengewoon verlof in verband met bijzondere gebeurtenissen


    1. Aan de werknemer wordt buitengewoon verlof met volledig behoud van bezoldiging verleend:
      a. bij overlijden van bloed- of aanverwanten in de eerste graad: 4 dagen;
         bij overlijden van bloed- of aanverwanten in de tweede graad: 2 dagen;
         Indien de werknemer is belast met de begrafenis, crematie en/of nalatenschap
         kan dit aantal worden verhoogd tot ten hoogste 4 dagen;
      b. bij bevalling van zijn echtgenote of relatiepartner: 3 dagen;
      c. bij opname van een pleegkind in het gezin: 5 weken, op te nemen binnen
         16 weken na feitelijke opname van het kind in het gezin;.
      d. bij adoptie: 5 weken, op te nemen binnen 16 weken na feitelijke opname van
         het kind in het gezin.
    2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid wordt aan het varend personeel van de stichting Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek ter Zee (Koninklijk NIOZ) het buitengewoon verlof op een later tijdstip toegekend, indien het dienstbelang zulks vereist.

    Artikel 5.10 Calamiteitenverlof


    1. Bij, in het algemeen onvoorzienbare, calamiteiten die kortdurende afwezigheid/ verhindering tot het verrichten van arbeid tot gevolg hebben, zal aan de werknemer   teneinde hem in staat te stellen voorzieningen te treffen gedurende in totaal maximaal 40 uur per jaar (niet aaneengesloten) verlof worden verleend met volledig behoud van bezoldiging. Bij overschrijding van dit maximum van 40 uur verlof, heeft de werknemer voor ieder éxtra uur calamiteitenverlof aanspraak op 70% van zijn bezoldiging.
    2. De werknemer krijgt altijd toestemming tot afwezigheid; achteraf wordt beoordeeld of er sprake was van een calamiteit.

    Artikel 5.11 Verlof ten behoeve van activiteiten van werknemersorganisaties


    1. Aan de werknemer zal, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, buitengewoon verlof met volledig behoud van bezoldiging worden verleend:
      a. voor het bijwonen van vergaderingen van een werknemersorganisatie, mits hij
         hieraan deelneemt als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde
         of bestuurslid van een onderdeel daarvan: gedurende ten hoogste 120 uur per
         periode van een jaar;
      b. indien hij is aangewezen om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten
         te ontplooien binnen een werknemersorganisatie c.q. binnen de organisatie van
         de werkgever, die ertoe strekken de doelstelling van de vereniging of organisatie
         te ondersteunen: gedurende ten hoogste 208 uur per periode van een jaar;
      c. voor het, op uitnodiging van een werknemersorganisatie, als cursist deelnemen
         aan een cursus: gedurende ten hoogste 48 uren per periode van 2 jaar. Het
         totaal aan verlof bedoeld in lid 1 zal per periode van een jaar de 320 uren niet te
         boven gaan indien de werknemer lid is van een hoofdbestuur van een
         werknemersorganisatie en zal in de overige gevallen per periode van een jaar de
         240 uren niet te boven gaan.
    2. De in lid 1 en lid 2 bedoelde werknemersorganisaties zijn verenigingen van werknemers, die bij de werkgever werkzame personen onder haar leden tellen en krachtens de statuten ten doel hebben de belangen van haar leden als werknemer te behartigen en als zodanig rechtspersoonlijkheid bezitten, dan wel centrale organisaties, waarbij genoemde verenigingen van werknemers zijn aangesloten.

    Artikel 5.12 Overig buitengewoon verlof van korte duur


    1. Aan de werknemer zal buitengewoon verlof met volledig behoud van bezoldiging worden verleend:
      a. voor de uitoefening van het kiesrecht en het voldoen aan een wettelijke
         verplichting, voor zover dit niet in de vrije tijd kan geschieden;
      b. voor een bezoek aan een (para)medicus, voor zover dit niet in de vrije tijd kan
         geschieden.
    2. Voorts kan door de werkgever buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging, worden verleend in alle gevallen waarin hij daartoe aanleiding aanwezig acht.

    Artikel 5.13 Zorgverlof en palliatief zorgverlof


    1. Voor de verzorging van zijn echtgeno(o)te, relatiepartner, (pleeg)ouders, (pleeg)kind of van een verwant met wie hij samenwoont, heeft de werknemer:
       a. bij ziekte recht op maximaal 10 werkdagen zorgverlof per kalenderjaar met
          volledig behoud van bezoldiging;
       b. bij ernstige ziekte recht op maximaal 1 maand palliatief zorgverlof per situatie
          met volledig behoud van bezoldiging. 
          De omvang van het zorgverlof en palliatief zorgverlof wordt bepaald
          naar rato van de omvang van het dienstverband.
    2. Op verzoek van de werknemer kan het palliatief zorgverlof als bedoeld in het eerste lid onder b worden verlengd.
    3. Tijdens de eerste maand van het verlengde palliatief zorgverlof heeft de werknemer in ieder geval recht op 50% van zijn bezoldiging. Verdere verlenging van het palliatief zorgverlof is in beginsel onbezoldigd. Verlenging van het palliatief zorgverlof waarbij geen sprake is van volledige bezoldiging, heeft geen nadelige gevolgen voor de opbouw van pensioen- en sociale zekerheidsaanspraken van de werknemer.
    4. De werkgever bepaalt de duur van het verlengde palliatief zorgverlof en of daaraan aanvullende voorwaarden worden gesteld, zoals het geheel of gedeeltelijk opnemen van vakantieverlof. De werkgever staat de werknemer toe:
      a. vakantieverlof in te leveren teneinde het onbezoldigd deel van het verlengde
         palliatief zorgverlof als bedoeld in het derde lid te compenseren;
      b. aansluitend aan het verlengde palliatief zorgverlof vakantieverlof op te nemen.
    5. Het verzoek om verlof als bedoeld in dit artikel kan worden geweigerd dan wel ingetrokken in geval van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.
    6. De werkgever kan van de werknemer verlangen dat hij aannemelijk maakt dat de verzorging van de naaste als bedoeld in het eerste lid wegens ziekte dan wel ernstige ziekte noodzakelijk is.

    Artikel 5.14 Overig buitengewoon verlof van lange duur


    1. Aan de werknemer kan op zijn verzoek gedurende ten hoogste 1 jaar buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging worden verleend om hem in de gelegenheid te stellen met terugkeergarantie een andere functie bij een werkgever elders te vervullen.
    2. De werkgever kan als voorwaarde stellen dat vakantieverlof geheel of gedeeltelijk worden opgenomen.
    3. Aan de werknemer zal, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, buitengewoon verlof worden verleend om hem in de gelegenheid te stellen vergaderingen en zittingen van publiekrechtelijke colleges, waarin hij is benoemd of verkozen, bij te wonen en daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van deze colleges te verrichten, een en ander voor zover zulks niet in de vrije tijd kan geschieden.
    4. Indien de werknemer een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het in het voorgaande lid bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij zou ontvangen als vaste vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie, niet te boven.
    5. Aan de werknemer, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een werknemersorganisatie als bedoeld in artikel 5.11 lid 3 van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige organisaties, kan uit dien hoofde voor ten hoogste 2 jaren buitengewoon verlof zonder behoud van salaris worden verleend.
    6. Aan de werknemer kan, op andere gronden dan genoemd in lid 1 t/m 4, op zijn verzoek buitengewoon verlof van lange duur worden verleend.

    OUDERSCHAPSVERLOF

    Artikel 5.15 Ouderschapsverlof algemeen


    1. Iedere werknemer die ten minste 1 jaar direct voorafgaande aan het ouderschapverlof heeft gewerkt bij de werkgever en die de natuurlijke ouder of pleeg- of adoptieouder is van een kind dat de leeftijd van 8 jaar nog niet heeft bereikt, komt eenmaal per kind in aanmerking voor onbetaald, wettelijk, ouderschapsverlof van 26 maal de arbeidsduur per week. Onder bepaalde voorwaarden wordt een deel van dit verlof aangemerkt als buitengewoon verlof met gedeeltelijk behoud van bezoldiging (artikel 5.19 lid 2).
      (Let op: artikel 5.15 lid 1 is per 1-1-2009 aangepast: klik hier.)
    2. Bij meerlingen bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen recht op ouderschapsverlof.
    3. Het ouderschapsverlof eindigt indien het kind de leeftijd van 8 jaar bereikt, ook indien de periode ex artikel 5.16 van deze regeling nog niet verstreken is.

    Artikel 5.16 Duur en vormen van ouderschapsverlof


    1. Op verzoek van de werknemer kan de werktijd per week met de helft van de voor hem geldende arbeidsduur worden teruggebracht gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste 12 maanden. Desgewenst kan het ouderschapsverlof worden opgesplitst in ten hoogste zes perioden van minimaal 1 maand.
      (Let op: artikel 5.16 lid 1 is per 1-1-2009 aangepast: klik hier.)
    2. De werktijd kan desgewenst met een geringer dan wel groter aantal uren per week worden teruggebracht. In dat geval wordt de maximale verlofperiode naar evenredig­heid verlengd dan wel bekort.

    Artikel 5.17 Rechten tijdens ouderschapsverlof


    1. Er worden uitsluitend vakantierechten opgebouwd over de feitelijk gewerkte uren.
    2. In geval van een aaneengesloten ziekteperiode van langer dan 1 kalendermaand, heeft de werknemer na het verstrijken van die maand, recht op opschorting van het ouderschapsverlof voor de duur van de ziekte. Tijdens de eerste ziektemaand blijft de hoogte van de bezoldiging gebaseerd op de aanspraak van de werknemer krachtens het ouderschapsverlof. In de ziektemaanden daarna wordt de bezoldiging weer gebaseerd op het oorspronkelijke salaris dat gold voor aanvang van het ouderschapsverlof.
    3. Een verzoek van de werknemer om het verlof voortijdig te beëindigen wordt ingewilligd, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Het hierdoor niet opgenomen verlof komt definitief te vervallen.

    Artikel 5.18 Aanvraag ouderschapsverlof


    1. Minimaal 2 maanden voor aanvang van het gewenste ouderschapsverlof dient de werknemer een schriftelijk verzoek in te dienen bij de werkgever.
    2. De werkgever stelt, in overeenstemming met de werknemer, het werktijdenschema vast.
    3. Op grond van zwaarwegende redenen van bedrijfs- en dienstbelangen kan de werk­gever de spreiding van het verlof over de week wijzigen tot 4 weken voor het door de werknemer opgegeven tijdstip van ingang van het verlof.

    Artikel 5.19 Bezoldiging tijdens ouderschapsverlof


    1. De werknemer komt in aanmerking voor ouderschapsverlof met gedeeltelijk behoud van bezoldiging voor een periode van 13 maal de arbeidsduur per week indien voldaan wordt aan de in het volgende lid genoemde voorwaarden.
      (Let op: artikel 5.19 lid 1 is per 1-1-2009 aangepast: klik hier.
    2. Het kind waarvoor ouderschapsverlof wordt verleend heeft de leeftijd van 4 jaar nog niet bereikt. Over de verlofuren wordt 75% van de bezoldiging doorbetaald. Op deze bezoldiging wordt de ouderschapsverlofkorting in mindering gebracht[11].
      (Let op: artikel 5.19 lid 2 is per 1-1-2009 aangepast: klik hier.)
    3. De werkgever zal gedurende het ouderschapsverlof zorgdragen voor de doorbetaling van de verschuldigde pensioenpremie krachtens het reglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, op basis van het voor de aanvang van het ouderschapsverlof geldende dienstverband. De bijdrage van de werknemer hierin blijft eveneens gebaseerd op het voor de aanvang van het ouderschapsverlof geldende dienstverband. In geval van onbetaald ouderschapsverlof zal de bijdrage van de werkgever hierin, eveneens gebaseerd op het voor de aanvang van het ouderschapsverlof geldende dienstverband, op de werknemer worden verhaald.

    Artikel 5.20 Terugbetalingsverplichting


    1. De voor de verlofuren genoten bovenwettelijke bezoldiging dient door de werknemer te worden terugbetaald indien de werknemer gedurende het ouderschapsverlof of binnen een half jaar na beëindiging van het ouderschapsverlof op eigen verzoek ontslag neemt of wordt ontslagen zonder recht op ontslaguitkering of invaliditeitspensioen.
    2. De terugvordering als bedoeld in het voorgaande lid wordt verminderd met 1/6 van het totale bedrag, voor iedere maand dat het dienstverband met de werknemer na beëindi­ging van het bovenwettelijke ouderschapsverlof heeft voortgeduurd.

    OVERIG VERLOF

    Artikel 5.21 Zwangerschaps- en bevallingsverlof algemeen


    1. De vrouwelijke werknemer heeft in verband met haar bevalling aanspraak op bezoldigd zwangerschaps- en bevallingsverlof.
    2. De vrouwelijke werknemer heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een geneeskundige of van een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling binnen 6 weken te verwachten is. Het verlof vangt uiterlijk 4 weken voorafgaand aan deze datum aan.
    3. De vrouwelijke werknemer heeft recht op bevallingsverlof van 10 weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste 16 weken, voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder heeft bedragen dan 6 weken.

    Artikel 5.22 Seniorenverlof

    Werknemers van 59 jaar en ouder kunnen gebruikmaken van de Seniorenregeling Onderzoekinstellingen (SROI-2007), waarbij zij binnen bepaalde randvoorwaarden zelf kunnen kiezen hoe zij vanaf hun 59e jaar de werktijd willen verminderen. De seniorenregeling is integraal opgenomen in bijlage 2 bij deze CAO.
    Tot 1 april 2007 gold de Seniorenregeling Onderzoekinstellingen, zoals opgenomen in de CAO-OI 2005-2006.

    Artikel 5.23 Levensloopverlof


    1. Levensloopverlof is buitengewoon verlof (artikel 5.8 lid 3) van lange duur zonder behoud van bezoldiging, waarbij de werknemer in zijn inkomen voorziet door gebruikmaking van gespaard levenslooptegoed.
    2. Voor de duur van het verlof worden (naar evenredigheid) voor de omvang van het verlof de betaling van het salaris, de eventuele toelagen, de reiskostenvergoeding, eventuele andere onkostenvergoedingen en verstrekkingen stopgezet en stopt de opbouw van vakantieverlofuren, vakantiegeld en de eindejaarsuitkering.
    3. De werknemer kan vanaf 1 jaar na indiensttreding gebruikmaken van een via levensloop gefinancierd verlof, met uitzondering van palliatief zorgverlof en zorgverlof en van onbezoldigd ouderschapsverlof.
    4. Een verzoek voor langdurig onbetaald verlof dient ten minste 3 maanden van tevoren schriftelijk bij de werkgever ingediend te worden. Deze termijn is niet van toepassing wanneer er sprake is van aanwending van het verlof voor zorgdoeleinden of als het moment van aanvang van het verlof niet in redelijkheid kon worden voorzien. Het voornemen ouderschapsverlof te nemen meldt de werknemer ten minste 2 maanden voor de gewenste ingangsdatum aan de werkgever.
    5. Wanneer het verlof een voltijds periode van 3 maanden overschrijdt, wordt de periodiekdatum van de werknemer opgeschoven met het aantal volledige maanden dat de opname langer duurt dan 3 maanden.
    6. Ingeval de deelnemer gedurende de verlofperiode ziek wordt, loopt het verlof gewoon door voor een periode van 6 weken en blijft hij zijn opgenomen levenslooptegoed als inkomen genieten. Bij voortdurende ziekte eindigt het levensloopverlof 6 weken na de eerste ziektedag.
    7. Voor een periode van maximaal 1 jaar levensloopverlof  is pensioenpremie verschuldigd waarbij de levensloopuitkering als grondslag voor de pensioenpremie wordt gehanteerd. De verdeling van de premie tussen werkgever en werknemer is overeenkomstig hetgeen in de CAO-OI is bepaald bij de langdurige buitengewoon verlof varianten als zorgverlof en palliatief zorgverlof, ouderschapsverlof, seniorenverlof en overig buitengewoon verlof van lange duur (artikel 5.8 lid 3 van de CAO-OI). De verplichting om pensioenpremie te betalen eindigt na verloop van een jaar. Het staat de werknemer alsdan vrij op vrijwillige basis pensioenafdracht met het pensioenfonds overeen te komen om pensioenopbouw voort te zetten[12]. Ten aanzien van deeltijd onbetaald verlof worden de sectorale afspraken dienaangaande toegepast.
    8. Voor zover de duur van het onbetaald verlof de periode van 18 maanden niet overschrijdt, ondervindt de werknemer voor de sociale zekerheid geen nadelige gevolgen van de opname van het verlof. (Overeenkomstig de Wet van 11 juni 1998, Stb 1998, 412.)
    9. De werknemer keert na afloop van het levensloopverlof terug in zijn eigen functie, tenzij de verlofperiode langer dan 6 maanden duurt of voorafgaand aan het levensloopverlof anders is afgesproken.
    10. Indien er tijdens de opname van levensloopverlof van de werknemer een reorganisatie plaatsvindt bij de werkgever waarbij de functie van de werknemer betrokken is, wordt de werknemer op gelijke wijze behandeld als de andere bij de reorganisatie betrokken werknemers.
    11. De werknemer spaart levenslooptegoed door deelname aan het doel levensloop in AVOM. Zie Bijlage 6 onder 4.6 Levensloop.
    12. Van de CAO-regeling levensloop kan in individuele gevallen ten gunste van de werknemer worden afgeweken.
    13. De werkgever  kan een levensloopreglement vaststellen met betrekking tot de uitvoering van levensloopsparen en levensloopverlof waaronder onder meer begrepen een nadere regeling omtrent duur, omvang, tijdstip en frequentie van het verlof, uitsluiting[13] of beperking voor specifieke categorieën werknemers het sparen van levenslooptegoed alsmede de opname en uitbetaling van levenslooptegoed.
    14. Deelname aan de levensloopregeling via AVOM eindigt:
      1. bij overlijden van de deelnemer;
      2. indien het dienstverband eindigt;
      3. indien de werknemer zijn deelname aan levensloop beëindigt.

    naar boven

  • WVOI
    Postbus 93138
    2509 AC Den Haag
    070 - 3440876